Wicca

WICCA

Een van de bekendste traditie is o.a de Wicca. Ikzelf ben geen Wicca heks, maar een traditionele eclectische heks volgens de oude religie. Er zit wel degelijk verschil in beide traditie,echter niet beter of slechter dan alle andere traditie. En lopen de basis begrijpen vrijwel in alle traditie gelijk. We mogen nooit vergeten dat we uiteindelijk al onze kracht putten uit dezelfde bron. Het heeft totaal geen zin om hierin elkaar de moeten overstijgen, maar de kracht is om samen onze krachten te bundelen en vleugel aan vleug te vliegen, zodat we 2012 in harmonie binnen kunnen gaan en verder in harmonie te gaan vliegen.

Blessed Be Jolanda


Gardner, Gerald Brosseau (1884 - 1964)

De vader van de moderne hekserij of Wicca is ongetwijfeld Gerald Brosseau Gardner. Gardner werd geboren op vrijdag 13 juni 1884 in Great Crosby in Lancashire als tweede zoon van een houthandelaar en vrederechter. Hij zou later nog een broer krijgen. De jonge Gardner leed aan astma, zodat hij vaak naar het platteland werd gebracht om er van de zuivere lucht te genieten.

Gardner

Als jongeman reisde Gardner naar Ceylon, waar hij op een theeplantage werkte. Later verhuisde hij naar Borneo en Maleisië, waar hij als ambtenaar voor de Britse overheid toezicht hield over een rubberplantage. In 1927 trouwde hij met Donna Rosedale, de dochter van een priester. In het Verre Oosten raakte Gardner gefascineerd door volksgebruiken en oude godsdiensten. In 1939 publiceerde hij een boek over de kris, een ritueel mes met golvend lemmet.

In 1936 ging Gardner met pensioen en vestigde hij zich opnieuw in Groot-Brittannië, in de omgeving van Hampshire, nabij het New Forest. Hij bleef reizen, ondermeer naar Cyprus, de achtergrond voor zijn tweede boek A Goddess Arrives, dat de verering van Aphrodite beschrijft en eveneens in 1939 gepubliceerd werd.

In de omgeving van het New Forest kwam Gardner in contact met de lokale occultistenscene die vooral bestond uit theosofen en vrijmetselaars. Zij hadden het plaatselijke Rozenkruiserstheater gesticht, dat vooral toneelstukken met occulte thema’s programmeerde. Sommige leden van de theatervereniging ontmoetten elkaar in de Broederschap van Crotona, een paramaçonniek genootschap, waarbinnen echter een kleinere geheime groep actief was. Gardner kon het vertrouwen van de leden winnen en werd zo ook geïntroduceerd in het groepje.

De leden beweerden heksen te zijn die een religie beoefenden die terug ging tot in de vroege Middeleeuwen. Gardner werd in 1939 ingewijd in deze New Forest coven, die, volgens Gardner zelf, geleid werd door een hogepriesteres die luisterde naar de naam Old Dorothy 

Dit verhaal van Gardner is deel gaan uitmaken van de ontstaansmythe van de Wicca, maar er bestaat grote twijfel of Gardner echt in een oude, bestaande coven is ingewijd. Wie daar alvast niet in gelooft is de Amerikaan Aidan Kelly, die in zijn boek Crafting the Art of Magic de hypothese poneert dat er in het begin van onze eeuw nooit oude paganistische covens in Engeland bestaan konden hebben.

Kelly’s werk is bijzonder uitgebreid bekritiseerd door de Gardneriaanse gemeenschap, omdat Kelly evenmin bewijst dat er géén oude coven zou bestaan hebben. Feit is dat er voorlopig geen bewijzen voorhanden zijn die aantonen dat Gardner in een bestaande oude coven werd ingewijd.

Kelly’s hypothese is echter interessant. Volgens de auteur is het aannemelijk dat enkele leden van het Rozenkruiserstheater op een avond besloten om de Oude Religie van de Britse eilanden nieuw leven in te blazen en een heksencoven te stichten. Volgens Kelly gebeurde die stichting op de avond van 28 september 1939 in de woonkamer van een van de leden thuis. Die avond was het volle maan. Volgens Kelly was wellicht ook de Old Dorothy, waar Gardner naar verwees als zijn inwijdster, een van hen. Deze vrouw werd later geïdentificeerd als Dorothy Fordham (1880-1951), een welstellende vrouw en de dochter van de Britse legerofficier St.Quintin-Clutterbuck. In de literatuur is lang aangenomen dat Old Dorothy de hogepriesteres was van de legendarische coven in New Forest, maar recent onderzoek door de Britse historicus prof. Ronald Hutton, zorgt voor ernstige twijfel. Dorothy Clutterbuck was een zeer welstellende dame die gehuwd was met een Brits conservatief politicus en bijzonder actief was in de Anglikaanse kerk. Zowel haar sociale, politieke als religieuze achtergronden maken het onwaarschijnlijk dat zij ook hogepriesteres was van een heksencoven. Dat betekent dat Gardner de naam van de mysterieuze Old Dorothy gebruikt heeft om de aandacht af te leiden van een andere vrouw, die de echte hogepriesteres was. Mogelijk gaat het om de vrouw die Gardner later vermeldde als zijn tweede hogepriesteres, namelijk ene Dafo, die ondertussen geïdentificeerd werd als Ms. Woodford-Grimes.

De vroege coven van Gardner kon zich, om haar legendarische aftamming uit een duister verleden aan te tonen, baseren op een studie van de historica en egyptologe Margaret Murray, die in 1922 The Witch cult in Western Europe had gepubliceerd. Murray trachtte in haar studie aan te tonen, dat er een paganistische religie in Europa was blijven voortleven tot in de zeventiende eeuw.

Volgens de Amerikaanse auteur Aidan Kelly baseerde het gezelschap van New Forest zich op de bevindingen van Murray en startte wellicht in 1939 met het uitvoeren van sabbats. Wie er in de coven actief was, staat niet helemaal vast. Een van de leden was wellicht Dafo, die mogelijk zelfs de hogepriesteres was. Sommige vrienden en bekenden van Gardner waren volgens Kelly lid, of hebben als inspiratiebron gewerkt. Onder hen Dolores North, de zogenaamde ‘heks van St.-Giles’, Louis Wilkinson, een vriend van Aleister Crowley; George Watson McGregor Reid, een druïde, en zijn zoon Robert McGregor Reid; J.S.M. Ward, een vrijmetselaar en goede vriend van Gardner; Charles Richard Foster Seymour en Christine Hartley, beiden lid van een gemengde vrijmetselaarsloge; Mabel Besant-Scott, dochter van Annie Besant, stichtster van de theosofische beweging en G.A. Sullivan, stichter van het Rozenkruiserstheater.

De samenstelling van het groepje bepaalde volgens Kelly de inhoud van de vroegste heksenrituelen. Er waren invloeden uit de vrijmetselarij, uit de joods-christelijke traditie van de kabbala, uit de Grote Sleutel van Salomon, een middeleeuws grimoire, en uit de boeken van Murray. De ceremoniële tradities waarin de leden van het groepje waren ingewijd, ondermeer de vrijmetselarij, vormden een structuur waarbinnen de volksmagie, die Murray in haar boeken beschreven had, kon bedreven worden.

Gardner schreef vele rituelen zelf. Hij hield notities bij in een boekje dat hij Ye Bok of Ye Art Magical titelde en dat de voorloper is van het latere Boek der Schaduwen van de Wicca.

De tegenstanders van de hypothese van Kelly wijzen erop dat de oude heksenfamilies geen gebruik maakten van vaste teksten en ook geen Boek der Schaduwen bezaten. Zij maakten gelegenheidsteksten, improviseerden of putten uit bestaande teksten, rijmen en folklore. Gardner kon volgens hen dus wel degelijk in zo’n coven zijn ingewijd en de teksten die er gebruikt werden, gebundeld hebben in een Boek der Schaduwen, dat hij aanvulde met eigen materiaal. Historisch materiaal die deze kritieken moeten ondersteunen is er echter niet. Daar wordt ondertussen wel aan gewerkt door de Britse historicus, prof. Ronald Hutton.

Kelly’s hypothese dat de rituele teksten van de Wicca geschreven zijn door Gardner en enkele leden van zijn coven, lijkt in elk geval te kloppen. Dat werd mij ook bevestigd door Robert, een Britse heks die in 1957 in de coven van Gardner werd ingewijd. "Vijf weken na mijn inwijding vertelde iemand van de coven me dat Gardner het allemaal zelf verzonnen had," zegt Robert. Maar dat betekent volgens Robert geenszins dat Gardner niet in een bestaande coven was ingewijd. Volgens Robert was de coven wel degelijk actief voor 1939, dus voor Gardner werd ingewijd. Het is echter twijfelachtig of deze coven een lange voorgeschiedenis kende. De leden waren welstellende esoteristen, die echter ook contact hadden met erfheksen. "Toen wij ingewijd waren, werden we ‘gecontroleerd’ door een plaatselijke erfheks," zegt Robert. "Die vrouw, ene Monica, was de echtgenote van een grootgrondbezitter. Hij organiseerde uitgebreide jachtpartijen in het New Forest. De beoefenaars van deze jachtpartijen hielden zich ook bezig met magische rituelen. Het ging meestal om heel eenvoudige magische handelingen, waarvan ik vermoed dat ze uit een oudere traditie stammen."

Het gebruik van rituele geseling in de wicca was volgens Aidan Kelly een uitvindsel van Gardner. Volgens Kelly’s hypothese had Gardner een persoonlijke voorkeur voor sadomasochistische seks. Gardner zou, volgens deze hypothese, behoord hebben tot de vele jongetjes die in het Victoriaanse Engeland op school met stokslagen waren opgevoed en als volwassenen fantasieën ontwikkelden voor zweepslagen en bondage. In de vroegste Wiccarituelen komen rituele geseling en bondage dan ook vaak voor als onderdeel van het ritueel. Tegenstanders van Kelly wijzen er dan weer op dat het gebruik van rituele geselingen een lange voorgeschiedenis kent. De beroemde flaggelatiescène op de fresco’s in de Villa der Mysterieën in Pompeï zou Gardner kunnen geïnspireerd hebben, maar ook het gebruik van de berkenroede in de volkstradities van onze gewesten. De Britse heks Robert beweert dat Gardner tuk was op ritiuele geseling en bondage omdat dit de enige methoden waren die hem tot een vorm van extase konden brengen. Gardner was immers astmaticus en andere extatische technieken, zoals dansen, zingen, het drinken van alcohol, waren dus voor hem ongeschikt.

Ook het gebruik van rituele naaktheid werd volgens Kelly geïntroduceerd door Gardner, die zich inspireerde op het boek Aradia van Charles Godfrey Leland. Gardner was een fervent naturist en een van zijn vroegste covenstedes was gelegen op het terrein van een naturistenkamp nabij St.-Albans.

Nog geen jaar na de oprichting van de coven deden de heksen van New Forest een gewaagd magisch ritueel met de bedoeling om een mogelijke invasie van Hitler in Engeland tegen te werken. Op de avond van Beltain in 1940 trokken de heksen het bos in om er een ‘magisch schild’ op te bouwen. Het ritueel gebeurde skyclad, wat, gezien het ongure weer in dat jaar, desastreuze gevolgen had. Drie covenleden stierven kort nadien aan een longontsteking.

Dat de coven van New Forest magie bedreef om Hitler te weren, had wellicht te maken met Gardners betrokkenheid als commandant in de Home Guard, een burgerwacht die in geval van een invasie het leger moest bijstaan.

In 1946 begon Gardner te schrijven aan een derde Boek, High Magic’s Aid, dat hij in 1949 onder het pseudoniem Scire publiceerde. Het is een roman, waarin Gardner, in de vorm van fictie, de activiteiten van de New Forest coven uit de doeken doet. Later zou Gardner beweren dat hij het boek als fictie schreef omwille van de Witchcraft Act, een antihekserijwet die nog dateerde uit 1736 en pas in 1951 opgeheven werd. Aannemelijker is het dat de leden van de oorspronkelijke coven hem nooit zouden toegestaan hebben over hekserij te schrijven alsof het een overgeleverde traditie was, omdat zij wisten dat dit niet klopte.

In de Sunday Pictorial van 29 juli 1951, verscheen onder de titel Calling All Covens, een artikel over de opening van het Folklore Centre of Superstition and Witchcraft van Cecil Hugh Williamson in de Witches Mill in Castletown, op het eiland Man. Gardner werd in het artikel vernoemd als de inwonende heks. In 1952 kocht Gardner het museum van Williamson.

In datzelfde jaar werd de antihekserijwet opgeheven en schreef Gardner zijn vierde boek Witchcraft Today, waarin hij de hekserij presenteerde als een overlevering uit de Middeleeuwen. Wellicht was de dood van Old Dorothy, eveneens in 1951, een belangrijke reden dat Gardner dit kon beweren, omdat Dorothy er nu niet meer was om zijn ‘leugen voor bestwil’ tegen te spreken. Het boek werd in 1953 gepubliceerd. Het voorwoord werd geschreven door dr. Margaret Murray, wat de beweringen van Gardner een historische respectabiliteit gaf.

Op 27 september 1952 verscheen in het populaire Britse blad Illustrated een artikel onder de titel: Witchcraft in Britain, waarin opnieuw de oude heksengebruiken van de Britse eilanden in de kijker kwamen te staan. Dat artikel werd ook met groot enthousiasme gelezen door de toen 30-jarige Doreen Valiente, een vrouw die de geschiedenis van de moderne hekserij drastisch zou veranderen. Valiente zou, nadat ze even voor midzomer in 1953 was ingewijd, het Boek der Schaduwen grondig herschrijven.

Valiente werd Gardners hogepriesteres, in opvolging van Dafo, die nog uit de oude coven stamde. Hun samenwerking duurde slechts enkele jaren. In 1957 reeds splitste de coven van Gardner zich op. Een aantal heksen vertrok met Valiente, een aantal bleef samen met Gardner werken. Deze laatste groep bestaat nog steeds in Londen.

In 1959 publiceerde Gardner zijn laatste boek, The Meaning of Witchcraft, waaraan hij drie jaar had gewerkt. Voor een deel was het boek een antwoord op de massale belangstelling van de pers voor hekserij. In die periode was er niemand meer die de precieze omstandigheden kende waarin de moderne Wicca in 1939 was gestart. Er werd algemeen aanvaard dat Gardner inderdaad was ingewijd in een van de laatste overlevende covens van Engeland.

In 1960 stierf Gardners vrouw. Gardner zelf zou nog vier jaar leven. Tijdens de laatste jaren van zijn leven wijdde hij nog een hele reeks mensen in die belangrijk zouden zijn voor de verspreiding van de Wicca: ondermeer Patricia Crowther en Monique Wilson. Wilson initieerde in 1963 Raymond en Rosemary Buckland die op Long Island, New York, de eerste Gardneriaanse coven stichtten. Patricia Crowter initieerde Pat Kopanski, die op haar beurt Alex Sanders initieerde, de man die aan de basis van de Alexandrijnse heksentraditie lag.

Gardner stierf tijdens een boottrip naar Libanon op 12 februari 1964 en werd begraven in Tunis op 13 februari. Monique Wilson erfde zijn Museum of Witchcraft en verkocht het in 1971 aan Ripley’s in de Verenigde Staten.

Gardner liet een moderne heksentraditie na, die bekend zou worden als Gardneriaanse hekserij. Hijzelf heeft nooit kunnen vermoeden wat de impact van zijn werk zou worden. Tienduizenden westerlingen zijn in Gardneriaanse covens ingewijd en de meer dan honderdduizend ingewijde heksen uit andere tradities zijn stuk voor stuk beïnvloed door Gardner.

Critici omschrijven Gardner soms als een charlatan omdat hij de nieuwe religie verzonnen zou hebben. Aidan Kelly schrijft daar het volgende over:

"(...) Gardner vond, met occasionele hulp van derden, een plausibele geschiedenis uit voor zijn nieuwe religie en creëerde documenten die deze geschiedenis moesten ondersteunen. Mocht hij dit gedaan hebben om roem, geld of macht te vergaren, zouden we wat hij gedaan heeft, een vervalsing kunnen noemen. Het is algemeen bekend (of het zou dat moeten zijn) dat de Gardnerianen vanaf het begin geweigerd hebben om hun beweging te laten gebruiken voor financieel gewin. Dit soort van ethische houding wordt enkel aangenomen door mensen wier motivaties zuiver religieus zijn. Gardner engageerde zich in wat een bekend soort religieus gedrag is: Het uitvinden van een nieuwe geschiedenis voor de eigen gemeenschap is een manier om te zoeken naar betekenis en authenticiteit."

Bron